Selecteer een pagina

Bedrijfshulpverlening

Bedrijfshulpverlening

Scholen zijn, op grond van de Arbowet, verplicht om de bedrijfshulpverlening (BHV) te regelen. BHV houdt in: noodsituaties, calamiteiten en dreigende gebeurtenissen, die tot letsel of dood van de werkende mens of de student kunnen leiden, planmatig, snel en effectief beperken en bestrijden.

Omdat de bedrijfshulpverleners op de werkplek aanwezig zijn, kunnen ze sneller reageren dan de reguliere hulpverleningsorganisaties, zoals ambulance, brandweer en politie.

Procedures, taakverdeling en verantwoordelijkheden worden vastgelegd in het schoolnoodplan of calamiteitenplan. BHV’ers in instellingen hebben in elk geval de volgende taken:

  • in noodsituaties alarm slaan;
  • werknemers, studenten en bezoekers evacueren (ontruiming) of juist binnenhouden (inruiming);
  • eerste hulp bij ongevallen verlenen;
  • brand inperken en bestrijden;
  • coördinatie tijdens noodsituaties.

Normen en wetgeving

  • Als onderdeel of actiepunt in de RI&E brengt u de blootstelling aan gevaarlijke stoffen in kaart.
  • Van alle gevaarlijke stoffen zijn actuele veiligheidsinformatiebladen en een compleet register aanwezig.
  • De school licht medewerkers en studenten voor over het veilig werken met gevaarlijke stoffen.
  • Bij de omgang met kankerverwekkende, reprotoxische en mutagene stoffen moet u aan hoge eisen voldoen om risico’s op kanker, schade bij voortplanting en veranderingen aan erfelijk materiaal te voorkomen. Hierbij geldt dat u de stof zo mogelijk moet vervangen. Is dit niet mogelijk, dan is het ‘ALARA’-principe (as low as reasonably achievable) van toepassing.
  • Gevaarlijke stoffen zijn veilig opgeslagen. Zie de geldende eisen onder normen en wetgeving ‘opslag gevaarlijke stoffen’.Arbobesluit hoofdstuk 4: Gevaarlijke stoffen en biologische agentia

Interessante sites

Maatregelen

1. Taken en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen bij bedrijfshulpverlening zijn vastgelegd en bekend:

  • het BHV-plan beschrijft de beleidsuitgangspunten, taken en verantwoordelijkheden;
  • het BHV-plan wordt jaarlijks bijgewerkt.

2. Voor iedere organisatie is een actueel noodplan aanwezig:

  • geschreven conform de norm NEN 8112 – Leidraad voor ontruimingsplannen voor gebouwen;
  • het noodplan wordt ieder cursusjaar geactualiseerd.

3. Medewerkers en cursisten zijn bekend met het noodplan, in het bijzonder met hun rol hierin.

4. Scholen houden op elke locatie minimaal één ontruimingsoefening per jaar, bij voorkeur in het begin van het nieuwe cursusjaar:

  • de instelling stelt voor de oefening oefendoelen vast;
  • de school-BHV-groep van de locatie is nauw betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de oefening;
  • de evaluatie vindt direct na de oefening plaats;
  • de onderwijsinstelling voegt het evaluatieverslag als bijlage toe aan het noodplan van de locatie.

5. De bedrijfshulpverleners zijn adequaat opgeleid en worden regelmatig bijgeschoold:

  • de EHBO’ers zijn in het bezit van het EHBO-diploma verstrekt door het Oranje Kruis en volgen de jaarlijks vastgestelde herhaling. Het EHBO-diploma is twee jaar geldig. EHBO is wettelijk niet verplicht om in de organisatie te hebben, maar wel aanbevolen voor scholen.
  • BHV-scholing is wettelijk verplicht. De organisatie kan de scholingsfrequentie zelf bepalen op basis van de risico´s. De wijze van scholing ligt niet vast. Uiteraard verdient het de voorkeur om de BHV-scholing te baseren op het eigen noodplan en in de eigen werkomgeving te laten plaatsvinden;
  • Bij een noodsituatie krijgen de ontruimers instructies vóór zij hun taken gaan uitvoeren. Zij zijn ook betrokken bij de voorbereiding en de evaluatie van oefeningen.
  • De balie-/receptiemedewerkers en administraties (kleinere locaties) krijgen jaarlijks instructies over de in- en externe communicatie bij een noodsituatie/calamiteit.

6. Er zijn voldoende medewerkers opgeleid tot bedrijfshulpverlener:

  • het aantal opgeleide BHV’ers op de locatie is afgestemd op de daar aanwezige veiligheids- en gezondheidsrisico’s. Bepalende factoren daarin zijn: de grootte en inrichting van de locatie, de activiteiten, de doelgroep en mogelijke restrisico’s, zoals de omgeving waar de locatie gevestigd is;
  • op elke locatie zijn medewerkers opgeleid als BHV’er;.
  • op kleine locaties zijn afspraken met gebruikers gemaakt over meehelpen in een noodsituatie/bij een calamiteit.

7. Er zijn voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig:

  • op elke locatie zijn steeds voldoende BHV‘ers aanwezig, zodat bij een calamiteit binnen enkele minuten bijstand kan worden verleend;
  • op elke locatie is steeds minstens een EHBO’er aanwezig.

8. BHV’ers hebben in voldoende mate de beschikking over de noodzakelijke middelen:

  • er zijn voldoende verbanddozen op duidelijk aangegeven plaatsen;
  • er is een AED aanwezig op een duidelijk aangegeven plaats;
  • er zijn voldoende evac-chairs aanwezig op duidelijk aangegeven plaatsen;
  • er zijn voldoende brandbestrijdingsmiddelen en ze zijn van de juiste soort;
  • er zijn voldoende hesjes voor (de leiding van) de BHV: leiding en registratie (oranje), BHV‘ers (geel), ontruimers (groen). De hesjes bevinden zich bij voorkeur op de werkplek van de BHV‘er, of anders op een duidelijk aangegeven en goed bereikbare plaats;
  • er zijn voldoende, goed werkende portofoons beschikbaar en die worden gebruikt zoals is afgesproken;
  • er zijn goed werkende megafoons aanwezig op een duidelijk afgesproken plaats.

9. De middelen worden regelmatig gecontroleerd, onderhouden en gekeurd:

  • verbanddozen worden jaarlijks gecontroleerd op volledigheid en houdbaarheid;
  • voor de AED en brandbestrijdingsmiddelen is een jaarlijks onderhoudscontract afgesloten;
  • voor de evac-chairs is een tweejarig onderhoudscontract afgesloten;
  • op elke locatie beheert het gebouwenbeheer de hesjes, portofoons en megafoons. Onder beheer vallen: controle, reparaties (laten) uitvoeren, vervanging en aanvulling.

10. Wanneer de elektrische of gasinstallatie onbedoeld uitvalt en weer inschakelt, treden geen gevaren op:

  • in de praktijkwerkplaatsen kunnen machines, apparaten en elektrische gereedschappen niet ongewild weer in bedrijf gaan nadat de elektriciteit is uitgevallen en weer ingeschakeld;
  • gasinstallaties zijn voorzien van een ‘gasgebrekbeveiliging’. Hiermee is het onmogelijk dat gas, na een onderbreking van de toevoer, ongewild weer wordt toegevoerd.

11. De opslag van gevaarlijke stoffen in de school is in kaart gebracht: De BHV-organisatie heeft kennis en inzicht in de gevaarlijke stoffen, kan deze herkennen en kent de effecten van de gevaarlijke stoffen, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en meetinstrumenten.

12. Op alle locaties is het mogelijk het interne alarmnummer te bellen met behulp van de vaste telefoon en te alarmeren met behulp van een handbrandmelder:

  • aan het begin van elk nieuw cursusjaar test het gebouwenbeheer de werking van het interne alarmnummer;
  • jaarlijks test de installateur de werking van de BMC/ontruimingsinstallatie (incl. handbrandmelders en automatische melders) en daarop aangesloten voorzieningen. Dit gebeurt ook tijdens de jaarlijks ontruimingsoefening;
  • de installateur test de gecertificeerde BMC (incl. handbrandmelders en automatische melders) maandelijks op de juiste werking.

13. Medewerkers en studenten weten hoe zij moeten alarmeren en doen dat ook, indien noodzakelijk:

  • jaarlijks worden (nieuwe) medewerkers en (nieuwe) studenten voorgelicht over BHV en brandveiligheid en dus ook over het alarmeren;
  • jaarlijks vindt op elke locatie een ontruimingsoefening plaats.

14. Vluchtroutes en nooduitgangen zijn toegankelijk en duidelijk aangegeven:

  • vluchtroutes en nooduitgangen zijn altijd toegankelijk en vrij van obstakels;
  • aanduidingen van vluchtroutes en nooduitgangen zijn altijd goed zichtbaar;
  • vluchtwegtransparanten en noodverlichting worden jaarlijks onderhouden en gecontroleerd op de juiste werking;
  • de vluchtwegplattegronden (informatievoorziening voor medewerkers, cursisten en bezoekers) zijn op alle locaties actueel.

15. Vluchtroutes zijn in hoeveelheid en capaciteit afgestemd op mogelijk gevaarlijke processen in de ruimte en de hoeveelheid gelijktijdig aanwezige mensen:

  • daar waar brand een vluchtuitgang kan blokkeren, is een tweede vluchtweg aanwezig;
  • de afmeting van de vluchtweg is gebaseerd op het aantal gelijktijdig aanwezige personen:
    < 25 personen:                              minimale breedte 60 cm
    25 tot 100 personen:                     minimale breedte 75 cm
    >100 personen:                             minimale breedte 120 cm

16. De werkgever beschikt voor iedere locatie over een schoolnoodplan of calamiteitenplan. Het schoolnoodplan is gebaseerd op de RI&E en gericht op een planmatige inzet van BHV’ers tijdens noodsituaties. Het bevat ten minste de volgende onderdelen:

  • beschrijving van de potentiële scenario’s en de daarbij te nemen maatregelen;
  • ontruimingsplan;
  • plattegronden (omgeving en gebouwen);
  • taakomschrijvingen van de BHV’ers en andere betrokkenen;
  • procedures;
  • namenlijsten en telefoonlijsten;
  • afspraken met o.a. brandweer, GG en GD en politie;
  • preventieve maatregelen;
  • wijze van alarmering;
  • technische voorzieningen;
  • nazorg;
  • logboek.